|
Een
overzicht na de stemming in het Europees Parlement in eerste lezing
De Bolkesteinrichtlijn bestaat niet
meer. Op 16 februari keurde de plenaire zitting van het Europees
Parlement in Straatsburg met ruime meerderheid een aantal belangrijke
wijzigingen aan de dienstenrichtlijn goed. Anne Van Lancker stemde
bij de eindstemming vóór de gewijzigde tekst om de
sociale garanties die in de richtlijn zijn gebracht te vrijwaren.
Indien de tekst van het Europees Parlement geen meerderheid had
gehaald was immers de onaanvaardbare tekst van Bolkestein overeind
gebleven.
De
tekst van het Europees Parlement heeft bovendien een evenwicht
gevonden tussen twee fundamentele vereisten voor de creatie van een
interne markt van diensten: de obstakels voor vestiging en vrij
verkeer van diensten wegnemen enerzijds en de sociale rechten, de
consumenten- en milieubescherming waarborgen anderzijds. Het Europese
vakverbond en de sociale organisaties reageerden alvast verheugd op
de gewijzigde tekst van het parlement.
Met
deze stemming komt een voorlopig einde aan het maandenlange debat dat
begin 2004 op gang is gebracht toen de Europese Commissie een
ontwerprichtlijn indiende die kom af wilde maken met juridische en
administratieve belemmeringen aan het grensoverschrijdende
dienstenverkeer in Europa. Gelet op het belang van de dienstensector
als belangrijkste economische sector in Europa, is het opzet om de
administratieve rompslomp in de Europese dienstensector aan te pakken
zeker lovenswaardig. Maar de manier waarop de Commissie deze
vrijmaking van de dienstensector echter aanpakte, was ontoelaatbaar
en bijgevolg het voorwerp van heel wat kritiek. Over deze kritiek
werd hevig gedebatteerd tijdens de behandeling van het voorstel door
het Europees Parlement, hetgeen er uiteindelijk heeft toe geleid dat
dit parlement de tekst van de ontwerprichtlijn radicaal heeft
herschreven.
Een
overzicht van de belangrijkste wijzigingen
1. "Gevoelige sectoren zijn uit de
richtlijn geschrapt."
Het
oorspronkelijke voorstel van ex-commissaris Bolkestein was van
toepassing op een heel ruime waaier van diensten. Zodra er sprake was
van enige vorm van economische tegenprestatie, vielen ze onder de
richtlijn. Het lijstje van diensten omvatte niet alleen puur
commerciële diensten (management-consultants,
reclamediensten, diensten in de vastgoedsector, reisagentschappen,
...), maar ook de gevoelige gemeenschapsvoorzieningen zoals
gezondheidszorg en sociale diensten (thuiszorg, kinderopvang en
sociale huisvesting).
Slechts
enkele uitzonderingen waren voorzien: publieke dienstverlening zonder
enige vorm van economische tegenprestatie, financiële diensten,
elektronische communicatienetwerken, transportdiensten voor zover die
op Europees vlak al geregeld zijn en fiscaliteit.
Het
Europees Parlement slaagde er nu in om een hele reeks diensten uit te
sluiten van deze richtlijn:
Gemeenschapsvoorzieningen
die niet onderworpen zijn aan concurrentie (zoals leerplicht
onderwijs, justitie, politie, ...);
Publieke
en private gezondheidszorg;
Sociale
diensten, zoals kinderopvang, ouderenzorg en sociale huisvesting;
Audiovisuele
diensten, zoals radio, TV en cinema;
Juridische
diensten;
Gokactiviteiten,
zoals loterijen, casino's;
Uitzendsector;
Veiligheidsdiensten;
Vervoersdiensten;
Havendiensten;
Beroepen
en activiteiten die verbonden zijn met de uitoefening van het
openbaar gezag (zoals notarissen, deurwaarders, ...)
Gemeenschapsvoorzieningen
zoals gezondheidszorg en sociale diensten zijn dus voortaan
uitgesloten van de richtlijn. Andere gemeenschapsvoorzieningen
(zogenaamde "diensten van algemeen economisch belang")
zoals gas, elektriciteit, water en afvalbeheer vallen nog steeds
onder de richtlijn maar zijn wel uitgesloten van belangrijke delen
van de richtlijn. Zo is het principe van de vrije dienstverlening in
Europa niet van toepassing op diensten van algemeen economisch
belang. De screening van deze diensten op het bestaan van een aantal
restrictieve vereisten moet evenmin gebeuren. Voorts is het EP van
mening dat de richtlijn geen liberalisering van
gemeenschapsvoorzieningen, noch de privatisering van openbare
diensten mag teweeg brengen. De lidstaten behouden de vrijheid om te
definiëren wat zij aanzien als diensten van algemeen belang, hoe
die diensten georganiseerd en gefinancierd worden en aan welke
specifieke verplichtingen zij onderworpen zijn.
2. "Sociale dumping is vermeden"
Het
oorspronkelijke voorstel van Bolkestein bevatte inderdaad het risico
dat de bepalingen van de richtlijn, zoals het land van
oorsprongbeginsel, sociale dumping mogelijk zou maken. Het Europees
Parlement heeft nu duidelijk in de tekst van de richtlijn vastgelegd
dat de dienstenrichtlijn geen afbreuk mag doen aan het arbeidsrecht,
dwz dat alle loon- en arbeidsvoorwaarden en veiligheids- en
gezondheidsreglementering moet worden gerespecteerd. De
dienstenrichtlijn respecteert nu ook het recht om CAO's te
onderhandelen, af te sluiten en te doen naleven. De nationale sociale
zekerheidswetgeving wordt ook niet in vraag gesteld. Het recht op
sociaal overleg en het recht op staking en andere collectieve acties
werd eveneens in de richtlijn opgenomen. Op deze wijze wordt
verzekerd dat dienstverleners alle sociale regels eerbiedigen.
3. "De detacheringrichtlijn krijgt
voorrang."
Met
haar voorstel wou de Commissie het land waarnaar werknemers worden
gedetacheerd om er werk te verrichten voortaan verbieden om nog een
aantal essentiële vereisten op te leggen (zoals het vragen van
een vergunning, het afleggen van een detacheringverklaring en het
hebben van een vertegenwoordiger op het grondgebied). Dit betekende
dat het voor de Belgische controleautoriteiten onmogelijk zou zijn om
te eisen dat de detacherende firma een vertegenwoordiger heeft in
België of dat er een voorafgaandelijke detacheringverklaring
werd afgenomen. De Belgische inspectie zou ook niet kunnen eisen dat
de sociale documenten in België worden bewaard. Deze angst is nu
verleden tijd. Het signaal van het Europees Parlement was krachtig en
duidelijk: de detacheringrichtlijn moet worden gerespecteerd. Dat
betekent dat bedrijven die tijdelijk werknemers ter beschikking
stellen in een ander land de loon- en arbeidsvoorwaarden van dat land
moeten respecteren. Bovendien is elke bepaling die de controle op de
detachering door het land waarnaar werknemers worden gedetacheerd
geschrapt uit de richtlijn.
Voorbeeld uit de realiteit: het
verhaal Vaxholm-Laval in Zweden: In de Zweedse stad Vaxholm wou een
Lets bouwbedrijf, Laval, met Letse bouwvakkers betaald tegen Letse
lonen, een school bouwen. De Zweedse vakbonden blokkeerden dit,
waarop het bedrijf naar de rechter stapte. De zaak ligt nu ook bij
het Europese Hof van Justitie. Op basis van de detacheringrichtlijn
had het bedrijf de Letse arbeiders Zweedse lonen moeten betalen. De
gewijzigde dienstenrichtlijn bevestigt dit principe.
Illustratie: Het belang van
detacheringverklaringen wordt in heel wat lidstaten erkend: zo
bestaat er in 13 landen van de Europese Unie een systeem van
voorafgaande detacheringverklaring: Duitsland (weliswaar enkel in de
bouw), Oostenrijk, België (facultatieve verklaring voor
detachering van max 6 mnd), Spanje, Frankrijk, Hongarije, Letland,
Luxemburg, Malta, Portugal (enkel voor interimarbeid), Tsjechië,
Slovenië en Nederland. Twee landen, Litouwen en Finland,
overwegen momenteel een dergelijke verklaring in te voeren. De daarin
opgenomen informatie betreft de contactgegevens van de werknemer, de
plaats waar de dienst wordt geleverd en de contactgegevens van de
afnemer.
4. "Het oorsprongslandbeginsel is
geschrapt."
Een
belangrijk basisbeginsel van het Commissievoorstel was het zogenaamde
land van oorsprongbeginsel. Volgens dit beginsel zijn bedrijven die
gevestigd zijn in om het even welke lidstaat van de EU en die in een
andere lidstaat tijdelijk opdrachten uitvoeren, enkel onderworpen aan
de wetgeving van hun eigen land. Voor een aantal diensten (post,
water-, elektriciteits- en aardgasdistributie, ...) werd hierop wel
een uitzondering gemaakt en onder bepaalde voorwaarden waren andere
uitzonderingen mogelijk. Bovendien zou het land waar het bedrijf is
gevestigd ook verantwoordelijk zijn voor de controle op de naleving
van regels door het bedrijf, waar de dienst ook wordt geleverd.
Vanzelfsprekend
was dit principe onaanvaardbaar. Het kan immers enkel werken op
voorwaarde dat er in elke lidstaat een evenwaardige wetgeving
voorhanden is. Bij gebrek hieraan zou dit beginsel een neerwaartse
concurrentiespiraal op gang brengen. Het
Europees Parlement heeft dit principe dan ook overboord gegooid. De
tekst zoals die gestemd is door dit parlement zegt nu dat lidstaten
het recht van dienstverleners zullen respecteren en geen overdreven
of discriminerende obstakels mogen opwerpen. Voorwaarden die de
lidstaten stellen aan buitenlandse dienstverleners moeten aan drie
voorwaarden beantwoorden: ze mogen niet discriminerend zijn en moeten
noodzakelijk en proportioneel zijn. Waar het gaat om bescherming van
leefmilieu, consumenten, openbare veiligheid of openbare orde,
blijven de regels van het land van ontvangst van toepassing. De
controle op de naleving van de spelregels is ook weer in handen
gekomen van het land waar de dienst wordt geleverd.
Het
voorstel van het Europees Parlement laat weliswaar een ruime marge
open voor tussenkomst van de lidstaten en van het Europees Hof, maar
is mijlenver verwijderd van het oorsprongslandbeginsel. Het Europees
Parlement vraagt bovendien aan de Commissie om binnen de 5 jaar na de
inwerkingtreding van de richtlijn een rapport voor te leggen, waarin
harmoniseringvoorstellen worden gedaan.
Voorbeeld: Een Duits bouwbedrijf
komt werken uitvoeren op een Belgische werf en doet hierbij een
beroep op Duitse werknemers en Duits materiaal (kranen, heftrucks,
bouwmateriaal...). De Duitse werknemers moeten kunnen genieten van de
Belgische minimale arbeidsvoorwaarden, inclusief die overeengekomen
in collectieve arbeidsovereenkomsten. Het door de Duitse
bouwonderneming gebruikte materiaal mag niet meer worden onderworpen
aan extra technische voorwaarden in België, indien dat al in
Duitsland is gebeurd. Maar het Duitse bedrijf moet wel alle vereisten
naleven die samenhangen met de werf waarop ze werkzaam zijn (zie o.m.
milieuvereisten). De controle op de naleving ervan ligt in handen van
de bevoegde Belgische inspectiediensten.
5. "Regels opleggen voor wie zich wil
vestigen blijft mogelijk."
Met
haar voorstel wil de Commissie ook de belemmeringen afbouwen voor
ondernemingen en zelfstandigen die zich in een ander land van de
Europese Unie willen vestigen om er diensten aan te bieden. Vooreerst
voorziet zij maatregelen ter administratieve vereenvoudiging. Dat is
een goede zaak, zo moet informatie voor ondernemingen en consumenten
bijvoorbeeld via één elektronisch loket toegankelijk
zijn.
Het
voorstel voorzag echter ook dat landen hun vergunningstelsels
doorlichten aan de hand van objectieve criteria en, zo nodig, hun
nationale wetgeving zouden aanpassen. De achterliggende
gedachte is dat lidstaten onderling hun stelsels vergelijken. De
strikte toepassing van de resultaten van deze doorlichting zullen de
bevoegdheden van de lidstaten uithollen, zo werd gevreesd.
Wat
deze doorlichtingtest betreft, bouwt het Europees Parlement
duidelijke garanties in. Zo kan elk land in het publiek belang eigen
regels blijven opleggen. De lijst waarop lidstaten zich kunnen
beroepen is lang en omvat onder meer de bescherming van de
openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de
handhaving van het financiële evenwicht van het
socialezekerheidsstelsel, met inbegrip van de handhaving van een
evenwichtige voor allen beschikbare gezondheidszorg, de bescherming
van consumenten, werknemers en doelstellingen van sociaal beleid.
De
rapporteringsplicht, waarbij lidstaten hun bestaande
vergunningssystemen moesten verantwoorden is geschrapt en
doorlichting van de vestigingsvoorwaarden is slechts behouden voor
een aantal specifieke restrictieve vereisten. Bovendien zijn diensten
van algemeen economisch belang - voor zover die al niet volledig zijn
uitgesloten van de richtlijn - dan nog eens zijn vrijgesteld van deze
doorlichting.
En wat nu?
Het
huiswerk van het Europees Parlement zit er voorlopig op. Het is nu de
beurt aan de Commissie en de Raad om zich te buigen over het grondig
herschreven voorstel voor een dienstenrichtlijn. De Europese
Commissie en het Oostenrijkse voorzitterschap van de Europese Raad
hebben alvast toegezegd rekening te zullen houden met het krachtige
signaal van het Europees Parlement. Na consultatie van de Europese
sociale partners zal de Europese Raad op de lentetop van 23 en 24
maart haar politiek standpunt vastleggen. De Europese Commissie zal
tegen eind april een gewijzigde versie van de dienstenrichtlijn
neerleggen, waarover de Raad Competitiviteit zich zal buigen. Daarna
krijgt het Europees Parlement nog een tweede keer de kans om het
voorstel te beoordelen.
Een
van de belangrijkste strijdpunten blijft in elk geval het
veiligstellen van de zogenaamde “diensten van algemeen economisch
belang”. Omwille van hun specifieke opdracht van openbare
dienstverlening kunnen zij immers niet op dezelfde manier worden
behandeld als puur commerciële diensten. Zij moeten toegankelijk
en betaalbaar blijven voor iedereen, of het nu gaat om de toevoer van
water, het verwerken van afval of het genieten van gezondheidszorg of
thuiszorg. Een aparte Europese kaderwet moet deze specifieke
kenmerken van de publieke dienstverlening bevestigen en garanties
geven voor de continuïteit, de toegankelijkheid en de
betaalbaarheid van deze diensten.
We
moeten ook actie ondernemen op de thema’s die door het Europees
Parlement uit de dienstenrichtlijn zijn gehaald. Zo verhinderde het
parlement dat de controle op de detachering onmogelijk gemaakt wordt
door de dienstenrichtlijn. Dit neemt echter niet weg dat we het
gebrek aan controles op het terrein en de gebrekkige administratieve
samenwerking tussen inspectiediensten in Europa moeten aanpakken,
bijvoorbeeld door de oprichting van een "sociale europol",
een Europees netwerk van arbeidsinspecties.
Een
gelijkaardige boodschap dringt zich op voor de uitzendsector. Deze
sector uitsluiten van deze richtlijn moet meteen het signaal zijn om
de misbruiken eens serieus aan te pakken. Hierbij moeten we o.m.
ervoor ijveren om het op de Raad geblokkeerde voorstel voor een
richtlijn over de arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten terug op de
politieke agenda te krijgen.
Een
sociaal herschreven dienstenrichtlijn is inderdaad niet voldoende. Er
moeten nog heel wat initiatieven worden genomen om een sociaal Europa
op te bouwen.
|